"Heer, naar wie zouden we gaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven."; Johannes 6,68



Vul Uw e-mail in


Bevestig Uw e-mail

















 

Vrijdag in week 19 door het jaar

Uit het boek Jozua 24,1-13.
In die dagen riep Jozua alle stammen van Israël bijeen in Sichem. Nadat hij de oudsten,
stamhoofden, rechters en griffiers zich ten overstaan van God had laten opstellen,
sprak hij tot het volk: ‘Dit zegt de Heer, de God van Israël:
Jullie voorouders woonden lang geleden ten oosten van de Eufraat.
Het waren Terach en zijn zonen Abraham en Nachor. Ze dienden andere goden.
Maar ik heb jullie stamvader Abraham daar weggehaald en hem door heel Kanaän laten trekken.
Ik schonk hem een groot aantal nakomelingen. Ik gaf hem Isaak als zoon
en Isaak gaf ik Jakob en Esau. Esau kreeg van mij het Seïrgebergte in bezit,
maar Jakob en zijn zonen trokken naar Egypte.
Ik stuurde Mozes en Aäron, teisterde Egypte, jullie weten hoe, en leidde jullie het land uit.
Ik heb jullie voorouders uit Egypte bevrijd. Ze kwamen bij de Rietzee,
terwijl de Egyptenaren hen achtervolgden met strijdwagens en ruiters.
Toen riepen ze mij, de Heer, om hulp, en ik scheidde hen van de Egyptenaren
door een zware duisternis en liet de Egyptenaren door de zee verzwelgen.
Jullie hebben met eigen ogen gezien wat ik met hen heb gedaan.
Vervolgens bleven jullie jarenlang in de woestijn,
tot Ik jullie naar het land van de Amorieten bracht, die ten oosten van de Jordaan woonden.
Ze namen de wapens tegen jullie op, maar Ik leverde hen aan jullie uit
en vernietigde hen, en jullie namen hun land in bezit.
Daarna verscheen koning Balak van Moab, de zoon van Sippor,
om de strijd tegen jullie aan te binden. Hij liet Bileam, de zoon van Beor,
komen; die moest jullie vervloeken,
maar ik schonk hem geen gehoor. Ik beschermde jullie tegen hem;
meer nog, hij zegende jullie zelfs.
Vervolgens trokken jullie de Jordaan over en kwamen jullie bij Jericho.
De inwoners van Jericho verdedigden zich tegen jullie,
net als de Amorieten, Perizzieten, Kanaänieten, Hethieten, Girgasieten,
Chiwwieten en Jebusieten, maar ik leverde ze allemaal aan jullie uit.
Ik stuurde een zwerm horzels voor jullie uit die ze op de vlucht joeg,
zoals eerder de twee koningen van de Amorieten op de vlucht werden gejaagd.
Jullie zwaarden en bogen hoefden er niet aan te pas te komen.
Ik heb jullie een land gegeven waarvoor jullie niets hebben hoeven te doen,
steden die jullie niet hebben gebouwd en waarin jullie zomaar konden gaan wonen,
wijngaarden en olijfbomen die jullie niet hebben geplant en waarvan jullie zomaar kunnen eten.

Psalmen 136(135),1-3.16-18.21-22.24.
Looft de Heer, want Hij is goed:
want eeuwig duurt zijn genade.
Loof de allerhoogste God,
want eeuwig duurt zijn genade.
Loof de oppermachtige Heer,
want eeuwig duurt zijn genade.

Hij leidde zijn volk, door de woestijn,
want eeuwig duurt zijn genade.
Hij versloeg geduchte koningen,
want eeuwig duurt zijn genade.
Machtige koningen doodde Hij
want eeuwig duurt zijn genade.

Hun land gaf Hij hen als bezit,
want eeuwig duurt zijn genade.
Hij gaf het als bezit aan Israël, zijn dienaar
want eeuwig duurt zijn genade.
Van onze belagers ontrukte Hij ons,
want eeuwig duurt zijn genade.


Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs 19,3-12.
Er kwamen Farizeeën naar Hem toe om Hem op de proef te stellen met de vraag: 'Staat het een man vrij zijn vrouw te verstoten om welke reden dan ook?'
Hij gaf hun ten antwoord: 'Hebt gij niet gelezen, dat de Schepper in het begin hen als man en vrouw gemaakt heeft
en gezegd heeft: Daarom zal de man zijn vader en moeder verlaten om zich te binden aan zijn vrouw en deze twee zullen worden een vlees?
Zo zijn zij dus niet langer twee, een vlees als zij geworden zijn. Wat God derhalve heeft verbonden, mag een mens niet scheiden.'
Zij zeiden Hem: 'Waarom heeft Mozes dan voorgeschre­ven bij het wegzenden van een vrouw een scheidings­brief te geven?'
Hij antwoordde: 'Om de hardheid van uw hart heeft Mozes u toegestaan uw vrouwen weg te zenden; aanvanke­lijk was dit echter niet zo.
Ik zeg u dus: wie zijn vrouw weg­zendt ‑ en dit niet wegens ontucht ‑ en een ander huwt, begaat echt­breuk; (en wie een weggezonden vrouw huwt, begaat echtbreuk).'
De leerlingen zeiden Hem: 'Als de verhouding tussen man en vrouw zo is, kan men beter niet trouwen.'
Hij antwoordde: 'Niet iedereen kan dit begrijpen, maar alleen zij aan wie het gegeven is.
Er zijn onhuwbaren die zo uit de moederschoot zijn voortgeko­men; en er zijn onhuwba­ren die door de mensen zo gemaakt zijn; maar ook zijn er onhuwba­ren die zichzelf onhuwbaar hebben gemaakt omwille van het Rijk der hemelen. Wie bij machte is dit te begrij­pen, hij begrijpe het!'



Bron : Petrus Canisius bijbelvertaling & vernieuwingen




Overweging bij de lezing van vandaag : Romeins missaal
"Die twee zullen één zijn"



 
©Evangelizo.org 2001-2017